Artikel 11 DBV

Uit NeBelEx Wiki
Versie door Eric Hoepelman (Overleg | bijdragen) op 8 apr 2014 om 16:39

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Verdragstekst

Artikel 11. Interest

1. Interest afkomstig uit een verdragsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere verdragsluitende Staat mag in die andere Staat worden belast.

2. Deze interest mag echter ook in de verdragsluitende Staat waaruit hij afkomstig is overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest inwoner is van de andere verdragsluitende Staat, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan 10 percent van het brutobedrag van de interest.

3. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 2 mag interest in de verdragsluitende Staat waaruit hij afkomstig is, niet worden belast,

a. indien de uiteindelijk gerechtigde tot die interest een onderneming van de andere verdragsluitende Staat is en het niet handelt om interest van door effecten aan toonder vertegenwoordigde leningen of gelddeposito's;
b. indien het handelt om interest van door effecten aan toonder vertegenwoordigde leningen of gelddeposito's en de uiteindelijk gerechtigde tot de interest een onderneming van de andere verdragsluitende Staat is die het bank- of verzekeringsbedrijf uitoefent en de desbetreffende effecten ten minste drie maanden in bezit heeft voorafgaand aan de datum van betaalbaarstelling van de interest;
c. indien het handelt om interest van handelsschuldvorderingen – met inbegrip van vorderingen vertegenwoordigd door handelspapier – wegens termijnbetaling voor leveringen van koopwaar, goederen of diensten door ondernemingen;
d. indien interest wordt betaald uit hoofde van een lening die is toegestaan, gewaarborgd of verzekerd, of een krediet dat is verleend, gewaarborgd of verzekerd, in het kader van een algemeen stelsel dat door een verdragsluitende Staat, een van zijn staatkundige onderdelen, plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, de NV De Nederlandsche Bank of de Nationale Bank van België is georganiseerd waarvan het doel bestaat uit het bevorderen van de uitvoer;
e. indien de interest wordt betaald aan de andere verdragsluitende Staat, een staatkundig onderdeel, een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan of aan de NV De Nederlandsche Bank of aan de Nationale Bank van België.

4. De uitdrukking „interest", zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet gewaarborgd door hypotheek of al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, niet zijnde de winstaandelen als bedoeld in artikel 10, paragraaf 7, van dit Verdrag, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, daaronder begrepen de aan zodanige leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies van allerlei aard. Voor de toepassing van dit artikel worden boeten voor laattijdige betaling niet als interest behandeld.

5. De bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een verdragsluitende Staat, in de andere verdragsluitende Staat waaruit de interest afkomstig is, een bedrijf met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting of een zelfstandig beroep door middel van een aldaar gevestigde vaste basis uitoefent en de schuldvordering uit hoofde waarvan de interest is verschuldigd met die vaste inrichting of die vaste basis wezenlijk is verbonden. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14, naar het geval, van toepassing.

6. Interest wordt geacht uit een verdragsluitende Staat afkomstig te zijn indien de schuldenaar die Staat zelf is, een staatkundig onderdeel, een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of een inwoner van die Staat. Indien evenwel de schuldenaar van de interest, ongeacht of hij inwoner van een verdragsluitende Staat is of niet, in een verdragsluitende Staat een vaste inrichting of een vaste basis heeft waarvoor de schuld, terzake waarvan de interest wordt betaald is aangegaan en de interest ten laste komt van die vaste inrichting of die vaste basis, wordt die interest geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting of de vaste basis is gevestigd.

7. Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de interest, gelet op de schuldvordering waarvoor hij wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval is het daarboven uitgaande deel van de betalingen belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elke verdragsluitende Staat en met inachtneming van de overige bepalingen van dit Verdrag.

8. Niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 3, mag interest betaald door een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, die volgens de wetgeving van een verdragsluitende Staat inwoner is van die Staat, aan een natuurlijke persoon die inwoner is van de andere verdragsluitende Staat ook in eerstbedoelde verdragsluitende Staat worden belast overeenkomstig de wetgeving van die Staat, indien die natuurlijke persoon – al dan niet tezamen met zijn echtgenoot – dan wel een van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn onmiddellijk of middellijk ten minste vijf percent bezit van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen van die vennootschap. Deze bepaling vindt alleen toepassing wanneer de natuurlijke persoon aan wie de interest wordt betaald in de loop van de laatste tien jaren voorafgaande aan het jaar waarin die interest wordt betaald inwoner van de eerstbedoelde Staat is geweest en mits op het tijdstip waarop hij inwoner werd van de andere verdragsluitende Staat werd voldaan aan eerdergenoemde voorwaarden ten aanzien van het aandelenbezit in eerdergenoemde vennootschap.

Deze bepaling geldt alleen in situaties waarin aan de natuurlijke persoon een aanslag is opgelegd ter zake van de bij diens emigratie uit die verdragsluitende Staat aangenomen vervreemding van de in de vorige alinea bedoelde aandelen en zolang er van deze aanslag nog een bedrag openstaat.


Teksten uit Protocol I

13. Met betrekking tot artikel 10, artikel 11 en artikel 12

Indien aan de bron belasting is geheven die het belastingbedrag dat ingevolge de bepalingen van artikel 10, 11 of 12 mag worden geheven te boven gaat, moeten verzoeken om teruggaaf van het daarboven uitgaande belastingbedrag worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende Staat die de belasting heeft geheven, binnen een tijdvak van drie jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.

14. Met betrekking tot artikel 11 en artikel 13

Voor de toepassing van artikel 11, paragraaf 8 en artikel 13, paragraaf 5, wordt onder de uitdrukking « een vennootschap die volgens de wetgeving van een verdragsluitende Staat inwoner is van die Staat » verstaan :

a) een vennootschap waarvan de plaats van werkelijke leiding in die verdragsluitende Staat gelegen is; en
b) een vennootschap waarvan de plaats van werkelijke leiding uit die verdragsluitende Staat is verplaatst, mits de plaats van werkelijke leiding van die vennootschap, voorafgaande aan vorenbedoelde verplaatsing van zijn werkelijke leiding, voor een periode van ten minste vijf jaren in die verdragsluitende Staat was gelegen. In dit geval wordt die vennootschap slechts voor een periode van tien jaar na verplaatsing van zijn werkelijke leiding uit die verdragsluitende Staat als inwoner van die Staat aangemerkt.

16. Met betrekking tot artikel 11, paragrafen 2 en 3

Indien een EEG-richtlijn inzake de belastingheffing op inkomsten van spaargelden van kracht wordt en indien, ingevolge deze richtlijn, zoals deze eventueel kan worden gewijzigd, interest afkomstig uit een van de verdragsluitende Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat ook mag worden belast in de verdragsluitende Staat waaruit de interest afkomstig is, dan geldt, in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 11, paragrafen 2 en 3, met betrekking tot die interest het bepaalde in die richtlijn.

Indien een EEG-richtlijn, zoals deze eventueel kan worden gewijzigd, betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake betalingen van rente en royalty's tussen ondernemingen van kracht wordt, dan geldt, wat betreft interest, in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 11, paragrafen 2 en 3, het bepaalde in die richtlijn.


Gezamenlijke artikelsgewijze toelichting

Interest ( artikel 11 en punten 13, 14 en 16 van Protocol I)

Ingevolge paragraaf 1 mag interest die afkomstig is uit een verdragsluitende Staat en die wordt betaald aan een inwoner van de andere verdragsluitende Staat, in die andere Staat worden belast. De in deze paragraaf gehanteerde uitdrukking «betaald» heeft een zelfde ruime betekenis als de in paragraaf 1 van artikel 10 gehanteerde uitdrukking «betaald», en wordt, voor wat Nederland betreft, bijvoorbeeld geacht te omvatten fictieve rente als bedoeld in artikel 3.91 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij paragraaf 1 van artikel 10.

Ook de verdragsluitende Staat waaruit de interest afkomstig is, heeft ingevolge paragraaf 2 de mogelijkheid om daarover belasting te heffen. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde tot de interest inwoner is van de andere verdragsluitende Staat, dan wordt die belasting echter beperkt tot 10% over het brutobedrag van de interest. Thans is paragraaf 2 in het bijzonder van belang voor interest die uit België afkomstig is; in zijn nationale belastingwetgeving heeft België immers voor verschillende vormen van interest een in de regel bevrijdende (althans in het geval van natuurlijke personen) roerende voorheffing van veelal 15% opgenomen. Nederland heft thans op een enkele uitzondering na (zie paragraaf 8 hierna) van niet-inwoners geen belasting over uit Nederland afkomstige interest.

Het verdrag bevat drie nadere bepalingen met betrekking tot de in paragraaf 2 voorziene mogelijkheid tot het heffen van belasting in de bronstaat. In de eerste plaats bevat paragraaf 3 voor een aantal gevallen een vrijstelling van belastingheffing in de verdragsluitende Staat waaruit de interest afkomstig is. Deze vrijstelling is in het bijzonder van belang voor het bedrijfsleven. Het gaat hierbij om: (i) interest die wordt betaald aan een onderneming van de andere verdragsluitende Staat. Als bijzondere voorwaarden voor deze vrijstelling gelden dat de onderneming de uiteindelijk gerechtigde tot de interest is en de vorderingen waarop de interest wordt betaald voor de onderneming feitelijk geen beleggingen vormen. Beleggingen worden in dit verband aanwezig geacht indien sprake is van door effecten aan toonder vertegenwoordigde leningen of gelddeposito's (subparagraaf a). Deze niet-beleggingsvoorwaarde geldt niet indien de onderneming het bank- of verzekeringsbedrijf uitoefent en de desbetreffende effecten ten minste drie maanden voorafgaande aan de datum van betaalbaarstelling van de interest in bezit heeft (subparagraaf b), (ii) interest die wordt betaald op handelsschuldvorderingen wegens termijnbetaling voor door ondernemingen geleverde koopwaar, goederen of diensten. Onder handelsvorderingen worden in dit verband begrepen vorderingen vertegenwoordigd door handelspapier (subparagraaf c), (iii) interest die wordt betaald op leningen en kredieten die in het kader van exportbevordering in het algemeen door een verdragsluitende Staat, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, de Nationale Bank van België of NV De Nederlandsche Bank zijn toegestaan, gewaarborgd of verzekerd respectievelijk zijn verleend (subparagraaf d), en (iv) interest die wordt betaald aan een verdragsluitende Staat, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, de Nationale Bank van België of NV De Nederlandsche Bank (subparagraaf e).

Voorts is in punt 16 van Protocol I neergelegd dat de bepalingen van de Ontwerp-richtlijn rente spaartegoeden (Voorstel voor een richtlijn ertoe strekkende in de Gemeenschap een minimum van effectieve belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rente te garanderen, COM (1998) 295 def.-98/0193 (CNS)) en de Ontwerp-richtlijn rente & royalty's (Voorstel voor een richtlijn betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake betalingen van rente en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten, COM (1998) 67 def.-98/0087(CNS)), nadat deze – na eventuele wijziging – in werking zijn getreden, in voorkomend geval voorrang hebben op de bepalingen van de paragrafen 2 en 3. Indien nodig zullen de verdragsluitende Staten door middel van een protocol tot wijziging van het verdrag de bepalingen van de paragrafen 2 en 3 van artikel 11 in overeenstemming brengen met de bepalingen van de onderhavige Ontwerp-richtlijnen.

Ten slotte is in paragraaf 8 bepaald dat een verdragsluitende Staat, in afwijking van de bepalingen van de paragrafen 2 en 3, belasting volgens de nationale wetgeving van die Staat mag heffen over interest die door een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal die inwoner is van die Staat wordt betaald aan een natuurlijke persoon die inwoner is van de andere verdragsluitende Staat en die – al dan niet tezamen met zijn echtgenoot dan wel een van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn – onmiddellijk of middellijk ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen van de vennootschap bezit. Weliswaar zijn de bepalingen van paragraaf 8 wederkerig geformuleerd, maar zij strekken er primair toe, voor zover het gaat om interest in de zin van paragraaf 4, de toepassing van artikel 7.2, tweede lid, onderdeel c, in samenhang met artikel 3.92 van de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 zo veel als mogelijk onder het verdrag te consolideren. Voor wat Nederland betreft, geldt voor dergelijke interest het tot 52% oplopende progressieve tarief van artikel 2.10 van de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001; zie in dit verband echter de toelichting bij paragraaf 3 van artikel 23. Voor een toelichting op de voor de toepassing van paragraaf 8 in deze bepaling en punt 14 van Protocol I opgenomen voorwaarden wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting bij paragraaf 5 van artikel 13.

Ingeval bij de betaling van interest geen rekening is gehouden met de bepalingen van de paragrafen 2 en/of 3, kan de uiteindelijk gerechtigde tot de interest de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staat waaruit de interest afkomstig is, verzoeken teruggaaf te verlenen van de teveel geheven belasting. In punt 13 van Protocol I is bepaald dat dergelijke verzoeken ingediend moeten worden binnen drie jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven. Ten slotte is in dit verband nog van belang dat de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten, ingevolge paragraaf 4 van artikel 28, in onderlinge overeenstemming uitvoeringsvoorschriften zullen vaststellen voor de wijze van toepassing van de paragrafen 2 en 3.

Paragraaf 4 bevat de omschrijving van de uitdrukking «interest», zoals deze wordt gehanteerd in artikel 11. Deze omschrijving is gelijk aan de omschrijving die in artikel 11, paragraaf 3, van het OESO Modelverdrag 1992/1997 wordt gehanteerd, met dien verstande dat in paragraaf 4 expliciet is bepaald dat onder schuldvorderingen die al dan niet aanspraak geven op een aandeel in de winst van de schuldenaar niet worden begrepen de in paragraaf 7 van artikel 10 bedoelde inkomsten die als stille (commanditaire) vennoot worden verkregen uit winstaandelen in een onderneming van één van de verdragsluitende Staten. Zoals in de toelichting bij paragraaf 4 van artikel 10 uiteengezet is, wordt onder interest niet begrepen interest die volgens de terzake toepasselijke nationale wetgeving wordt gekwalificeerd als inkomsten uit aandelen.

In paragraaf 5 is, in overeenstemming met het OESO Modelverdrag 1992/1997, bepaald dat niet de bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 3, maar de bepalingen van artikel 7 respectievelijk artikel 14 van toepassing zijn met betrekking tot interest die wordt betaald op schuldvorderingen die behoren tot het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting of vaste basis waarover de uiteindelijk gerechtigde tot die interest beschikt in de verdragsluitende Staat van waaruit de interest wordt betaald.

Paragraaf 6 bepaalt, in overeenstemming met het OESO Modelverdrag 1992/1997, dat interest geacht wordt afkomstig te zijn uit een verdragsluitende Staat indien de schuldenaar van die interest die Staat zelf, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan of een inwoner van die Staat is. Indien de schuldvordering ter zake waarvan de interest wordt betaald tot het bedrijfsvermogen behoort van een vaste inrichting of vaste basis van de schuldenaar, wordt de interest echter geacht afkomstig te zijn uit de verdragsluitende Staat waarin de vaste inrichting of vaste basis is gevestigd, ongeacht of de schuldenaar zelf inwoner is van een van de verdragsluitende Staten.

Ten slotte is in paragraaf 7, overeenkomstig het OESO Modelverdrag 1992/1997, bepaald dat de bepalingen van artikel 11 slechts van toepassing zijn voor zover de op een schuldvordering betaalde interest overeenkomt met de interest die tussen onafhankelijke partijen overeengekomen zou zijn, alsmede dat het bovenmatige gedeelte van die interest in voorkomend geval, rekening houdende met de overige bepalingen van het verdrag, belastbaar is overeenkomstig de nationale wetgeving van ieder van de verdragsluitende Staten.


Aantekeningen

Paragraaf 8

Zie voor de bijzondere wijze van voorkoming van dubbele belasting: artikel 23 DBV, paragraaf 3.


Aanvullende gemeentebelasting

Arrest HvJ EU 'Dijkman': geen aanvullende gemeentebelasting over rente en dividend.